Zeker dertig mensen staan op een kluitje, de meesten opgewonden om zich heen kijkend, ijsberend op een vierkante meter of op een geprikkelde toon met anderen pratend. En dan: een langs suizende trein. Hij gaat echter de ‘verkeerde kant’ uit: richting Kerkrade. Hier, op station Eygelshoven, staat iedereen juist te popelen om naar Heerlen of Maastricht – in ieder geval in een volledig andere richting dan Kerkrade – te kunnen gaan. Tien minuten later is ons vervoersmiddel pas bij ons, om vervolgens over net genoeg plek te beschikken voor alle reeds “te laat komers”. Daar sta ik dan, met slaperige ogen van de vroegheid houd ik mij met een hand vast aan een handvatje, net boven de hoofdsteun van een medepassagier, zodat ik niet omval wanneer de trein weer een van zijn stops nadert.
Tijdens de stop in Heerlen wordt het ding redelijk geleegd, maar zoals gewoonlijks komen er hier ook weer heel wat passagiers bij. Ik weet nog net een zitplekje te bemachtigen, wanneer een jongedame de trein binnenkomt en op een van de banken aan de andere kant van de coupé wil plaatsnemen. Een meisje houdt de plek waar de jonge vrouw wil gaan zitten echter bezet voor een vriendin, door haar rugzak erop neer te zetten. Ik hoor wat kriebelige woordenwisselingen, totdat blijkt dat de vrouw toch haar zin krijgt en plaatsneemt op de plek naast de meid.
Na de treinstop in Maastricht is het eindelijk rustig in de trein en kan ik eindelijk even ontspannen. Helaas niet voor lang, want slechts vijf minuten later kom ik aan bij school en dien ik mij alweer te concentreren op een aandacht vergend college. Ik ben nog net op tijd, waarschijnlijk vanwege het feit dat ik niet een van de weinigen ben met vertraging.
Wanneer mijn studiedag op school er weer op zit, moet ik rennen om de trein te halen. Ik neem tenslotte aan dat de vertraging van het ’s ochtends weer opgelost is en we om de normale tijd vanuit Randwijck zullen vertrekken. Mijn gevoel klopt, want mijn studievrienden zien mij al aan komen gerennen en nog voordat ik ga zitten, fluit de conducteur het signaal dat aangeeft dat de trein kan vertrekken.
De jongens van mijn studiegroepje, die door het maken van flauwe grappen mijn aandacht proberen te trekken – of misschien pogen ze mijn inspiratie op te krikken voor mijn column, waar ze sinds vanmiddag het bestaan van weten – stappen in Heerlen uit de trein. Een man van middelbare leeftijd komt mij vanaf dan vergezellen in de coupé. Hij lijkt in eerste instantie niet alleen, aangezien ik verschillende stemmen hoor wanneer hij plaatsneemt op de zitplaats tegen over mij. Dan zie ik het: onder zijn winterjas, die hij met beide handen vasthoudt, schuilt een draagbare radio! Uit het ding galmen Limburgse stemmen. Als de man zich gesetteld heeft op het bankje, geeft hij een draai aan een van de knoppen, waardoor de stem luider wordt. “Het is koud buiten,” laat de radiostem weten. “Ach wat!” zegt de man hard. “Koud, koud, niet aanstellen!” Ik hoor de passagiers om ons heen gniffelen, gelukkig heeft de radioluisteraar het niet in de gaten. Vervolgens klinkt muziek uit de radio, met een Limburgse stem die zingt op de melodie. Terwijl ik naar de draagbare radio zit te glimlachen, vertelt de man mij dat het Frans Teunis is die zingt. Hoewel de naam mij niks zegt, knik ik hem vriendelijk toe. Geweldig, deze situatie. Ik moest wel even habitueren – wennen, in psychologische termen – maar wanneer ik even later de trein uit moet vind ik dat voor het eerst echt jammer. De meeste medepassagiers zullen de man met de radio wel vreemd vinden, maar ik vraag mij af waarom we eigenlijk niet met zijn allen afspreken om de beurt een radio mee te nemen… Dat maakt die rit naar Maastricht toch veel plezieriger?! Geen tijd om te kibbelen over zitplekken of vertraging, maar lekker samen luisteren naar “Limburgse moezziek”!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten