Na een nacht vol dromen over honderden studenten in een gymzaal, al vreselijk moeilijke tentamens makende, vertrek ik samen met mijn ouders richting Maastricht. Inderdaad, ik ga niet met de trein deze keer. Vanwege de treindrukte die gemeld wordt gedurende de tentamentijd, bieden mijn ouders mij een lift aan – iets waar ik natuurlijk geen nee tegen zeg. In een mum van tijd zijn we vervolgens op plaats van bestemming en terwijl ik naar het gebouw loop waar vandaag het tentamen gehouden wordt, vraag ik me af of ik toch niet vaker met de auto naar school moet gaan. Het scheelt tenslotte veel tijd, ik kan ongestoord nog wat studiewerk doorlezen en ik hoef niet bang te zijn dat ik geen zitplek meer krijg.
Twee tentamens later en tevens na een heerlijke shopmiddag in Maastricht (die uiteindelijk meer een kletsmiddag met een van mijn studiegenootjes is geworden), pak ik op Centraal Station de trein richting Kerkrade. Ik pak mijn zojuist gekochte tijdschriftje op mijn schoot, maar ik merk al gauw dat ik niet aan lezen zal toekomen deze reis. Om mij heen komen twee oudere stellen zitten, al enthousiast kletsend over het mooie Maastricht en de leuke winkeltjes die zij deze middag aangedaan hebben. Voor ik het weet, krijg ik zelfs pindanootjes aangeboden door de man tegenover mij, waarbij hij vertelt de lekkernij in een geweldige speciaalzaak in de stad te hebben gekocht. Vrolijk kletsend genieten we met z’n allen van de nootjes, totdat diezelfde man de zak met pinda’s even verkeerd vasthoudt en… alle pinda’s op de grond liggen! Aangezien ze een schil om zich heen hebben, zijn de pinda’s toch nog eetbaar – al is het vanaf niet al te schone de grond in deze stoptrein – dus ik help de man met het oprapen van de noten. “Dat had je niet gedacht hè,” zegt hij met zijn Hollandse accent. “Dat je hier samen met mij nootjes van de grond zou gaan zitten rapen!” Beamend lach ik hem toe. “Als je nu schrijfster was, kon je erover schrijven,” valt hem in. Terwijl ik mij afvraag of de man soms aan mijn gezicht heeft gezien dat ik al dacht dat dit een mooie anekdote zou zijn voor in mijn column, vertel ik hem nog vol verbazing, dat ik inderdaad schrijf voor een krantje. “Ja, dan zet je het maar mooi in je column!” weet de man te zeggen, nog voordat ik kan vertellen dat ik inderdaad wekelijks een column schrijf over mijn belevenissen tussen Maastricht en Kerkrade. “Ik schrijf zelf ook,” aldus mijn medetreinpassagier. “Dat zag ik aan je gezicht, dat je schrijft. Dat voelen wij schrijvers van elkaar aan,” vertelt hij glimlachend aan de andere mensen in de coupé.
Nog vol verwondering over mijn beleving, stap ik even later het treinstelsel uit. Ik besluit dat het nog lang zo erg niet is om elke schooldag een treinrit mee te maken. Zo’n geweldige ervaring als deze doe je tenslotte niet in de auto op…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten