“Lopen, lopen, lopen!” Ik doe wat de stem achter mij roept. De seconden die volgen, lijken wel eeuwig. Maar dan plots komen we van de grond. In een klap ben ik verlost van de buikpijn die de angst in mij opwelde.
Mijn voeten bungelen in de lucht. Ik schuif nog wat beter in mijn zitje. En het enige wat ik dan nog kan doen, is genieten van het geweldige uitzicht.
De piloot achter mij bestuurt de parachute boven ons. Terwijl we net nog op een hoge berg stonden, ‘paragliden’ we nu naar beneden. Geen grond meer aan onze voeten. Slechts lucht om ons heen.
We vliegen zelfs boven de wolken. En ik roep alsmaar: “Wauw!” en “Boh!” Ik heb het gevoel dat ik dadelijk over de wolken en bomen kan lopen.
Piloot Bernd maakt ondertussen foto’s. De camera zit aan een stok die hij in de lucht houdt. Een foto van boven, van beneden, van mijn voeten, van ons samen.

Trots straal ik naar links en naar rechts. De zonnige, besneeuwde bergen laten we steeds verder achter ons.
We gaan zo’n 35 kilometer per uur, vertelt Bernd. Ik kan niet zien hoe hij achter mij – letterlijk – de touwtjes in handen heeft. Wetende dat hij al zijn halve leven ‘paraglidet’ – wat ongeveer overeenkomt met mijn hele leven – blijf ik rustig genieten.
Onze eindbestemming komt langzaam in zicht. Bernd laat ons nog even naar rechts draaien en weer terug naar links. Tussen enkele langlaufloipes in komen we steeds dichter bij de grond.
Als mijn voeten de sneeuw raken, besef ik dat ik morgen eigenlijk weer wil vliegen. En overmorgen, en de dag daarna.
Want niet veel later sta ik weer gewoon op de ski’s, om de berg naar beneden te gaan. En hoewel skiën mijn grote passie is, zou ik nu het liefst Bernd weer horen roepen: “Lopen, lopen, lopen!”